Een jaar of dertig geleden had ik een vordering. Iemand had mij beloofd een aantal zaken van mij te kopen – maar hij weigerde zijn toezegging na te komen. Het ging om een behoorlijk bedrag, en dat was, samen met de ergernis over de onbetrouwbaarheid van de potentiële koper, voor mij voldoende reden om een advocaat in te schakelen. ‘Heb je iets op papier?’ vroeg die onmiddellijk. ‘Nee’ zei ik. ‘Hij weigerde iets op papier te zetten.’ ‘Dat is jammer. Heb je dan misschien getuigen, die gehoord hebben dat jullie de afspraak over de koop hebben gemaakt?’ ‘Ja, dat wel. Mijn zwager was er bij.’ ‘Nou,’ zei de advocaat opgewekt, ‘dan kan dié toch getuigen?’ Ik reageerde verwonderd – want ook toen wist ik al íets van rechtswetenschappen af: ‘Maar dat is familie – en van een getuigenis door een familielid trekt de rechter zich toch niets aan?’ De advocaat glimlachte mild. ‘Nou, dat is nog niet zo zeker. Want soms vraagt de rechter éérst aan iemand of hij familie is van de betrokkene, en laat hem daarná pas de eed afleggen.’ (Voor de wat minder goede verstaander: zolang de zwager de eed nog niet heeft afgelegd mag hij nog liegen…)
En toén dacht ik al: Dit is een móói vak.
|